+31 (0)20 578 83 00

Nieuws.

Aandeelhouder die namens joint venture vennootschap juridische procedures voert tegen de joint venture partner: geen grond voor twijfel aan juist beleid (OK 21 maart 2013)

21/03/2013

Indien aandeelhouder A procedures start tegen aandeelhouder B en de joint venture vennootschap, mag aandeelhouder B – als bestuurder van de vennootschap – besluiten dat de vennootschap verweert voert en tegenvorderingen instelt (mits zij daarbij voornamelijk de belangen van de vennootschap voorop stelt). Dat de belangen van de vennootschap en aandeelhouder B mogelijk parallel lopen in de diverse aanhangige procedures is op zichzelf geen grond voor twijfel aan een juist beleid. Dit heeft de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam bepaald in een uitspraak van 21 maart 2013.

 Aanleiding was het geschil over SpeBio, een joint venture van de Nederlandse farmaciedistributeur SpePharm en de beursgenoteerde Franse farmacieproducent BioAlliance. In 2009 beëindigde BioAlliance eenzijdig de samenwerking en initieerde BioAlliance diverse juridische procedures tegen SpePharm en SpeBio (waarin zij schadevergoeding claimt). SpeBio en SpePharm voeren in die procedures verweer en dienden tegenvorderingen in. De commerciële activiteiten van SpeBio zijn als gevolg van de geschillen inmiddels beëindigd.

 BioAlliance verzocht de Ondernemingskamer (OK) om een enquête te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van SpeBio.

 De OK wijst het verzoek af. De omstandigheid dat de joint venture vennootschap verweer voert tegen de tegen haar door een van de aandeelhouders gerichte vorderingen levert niet een gegronde reden op voor twijfel aan een juist beleid. Dit wordt niet anders doordat beslissingen ter zake worden genomen door de andere aandeelhouder als haar enige bestuurder, die ook eigen belangen heeft in haar hoedanigheid van aandeelhouder van de joint venture vennootschap en joint venture partner van de medeaandeelhouder. Van twijfel aan een juist beleid zal pas sprake zijn indien in redelijkheid komt vast te staan dat de beslissingen van de aandeelhouder-bestuurder niet dan wel slechts in (zeer) beperkte mate het belang van de vennootschap zouden dienen en uitsluitend dan wel in belangrijke mate zouden zijn ingegeven door de belangen die zij als aandeelhouder heeft. Dat laatste is in casu echter niet gebleken. De aandeelhouder die procedures instelt tegen de vennootschap komt in redelijkheid geen beroep toe op een statutaire bepaling die beperkingen stelt aan bestuursbesluiten strekkende tot het initiëren en voeren van rechtsgedingen door de vennootschap. Volgens de statuten van SpeBio is de RvC bevoegd bestuursbesluiten strekkende tot “initiation and conduct of any Court proceedings, whether judicial, arbitral or administrative (…)” aan zijn voorafgaande goedkeuring te onderwerpen. BioAlliance voert aan dat de RvC deze goedkeuring niet heeft gegeven en dat de RvC vanwege de bestaande impasse ook niet in staat is dienaangaande besluiten te nemen. De OK oordeelt dat BioAlliance op deze bepaling (voor zover deze al de strekking heeft die BioAlliance daaraan toekent) in redelijkheid geen beroep kan doen. De OK voegt daaraan toe dat niet valt in te zien dat SpeBio, die niet zelf het initiatief tot enige procedure heeft genomen, zich niet zou mogen verweren tegen de vorderingen van BioAlliance en van haar kant vorderingen kan instellen tegen BioAlliance.

 De OK oordeelt bovendien dat een impasse in de besluitvorming binnen de AvA en de RvC niet noodzakelijkerwijs reden vormt voor twijfel aan een juist beleid. Als gevolg van de eenzijdige beëindiging van de joint venture overeenkomsten door BioAlliance zijn de commerciële activiteiten van SpeBio noodgedwongen gestaakt en is SpeBio nog slechts actief voor wat betreft het voeren van rechtsgedingen en wat daarmee samenhangt. Volgens de OK heeft de bedoelde impasse daarop geen invloed en kan SpeBio niet worden verweten dat in de AvA en de RvC niet tot besluitvorming kan worden gekomen.

Lees hier de hele uitspraak.

 

terug

Nieuws

Meer Nieuws >