+31 (0)20 578 83 00

Nieuws.

Non-concurrentiebeding bij overname aandelen: niet in strijd met kartelverbod (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 april 2014)

18/04/2014

In een arrest van 1 april 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich uitgesproken over de geldigheid van een non-concurrentiebeding bij overname van aandelen.

Achtergrond

In 2008 hebben partijen ter beëindiging van diverse geschillen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Onderdeel daarvan was de verkoop door partij B van al haar aandelen in de vennootschap aan partij A. In de vaststellingsovereenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen: diverse bepalingen opgenomen, ertoe strekkende dat de vennootschap en haar deelnemingen geen commercieel nadeel zullen ondervinden van toekomstige activiteiten van partij B. Onder meer is bepaald dat partij B op geen enkele wijze en gedurende een periode van tenminste 5 jaren concurrerende activiteiten zal ontplooien. Daarbij is opgenomen dat, indien partij B deze bepalingen overtreedt, zij een dadelijk opeisbare boete verbeurt.

Het geschil

Partij A vordert betaling van de overeengekomen boete wegens overtreding van het non-concurrentiebeding door Partij B. In eerste aanleg heeft de rechtbank Utrecht geoordeeld dat inderdaad sprake is van overtreding van het non-concurrentiebeding en de vordering van partij B toegewezen. In hoger beroep voert partij B aan dat het non-concurrentiebeding nietig is wegens strijd met het kartelverbod van artikel 101 lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

De beoordeling door het gerechtshof

Het hof stelt vast dat de concurrentiebeperkende afspraken zijn gemaakt in het kader van de overname van het belang van partij B in de vennootschap, waardoor partij A de volledige zeggenschap over de vennootschap verkreeg. Niet ter discussie staat dat het primaire doel van deze afspraken niet was het beperken van de mededinging, maar het mogelijk maken van de overname, die diende als oplossing voor de geschillen die tussen partij A en partij B in het kader van hun samenwerking in de vennootschap waren ontstaan. Dergelijke afspraken vallen, als nevenrestricties, niet onder het verbod van artikel 101 lid 1 VWEU, indien zij rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van een concentratie als bedoeld in de EG-concentratieverordening (Verordening 139/2004, PB 2004, L24) en Mededeling 2005/C 56/03 van de Commissie (PB 2005, C56). Met partijen gaat het hof ervan uit dat de onderhavige afspraken rechtstreeks verband houden met een concentratie in voormelde zin. De vraag resteert dus of de uit de bedingen voortvloeiende beperkingen noodzakelijk waren.

In voormelde Mededeling van de Commissie is daarover (onder nummer 18) het volgende opgenomen:

Om de volledige waarde van de overgedragen activa te verkrijgen, moet de koper een zekere mate van bescherming kunnen genieten tegen concurrentie van de verkoper, zodat hij het vertrouwen van de klanten kan winnen en de kennis kan assimileren en aanwenden. Dergelijke niet-concurrentiebedingen waarborgen de overdracht aan de koper van de volledige waarde van de overgedragen activa, die over het algemeen zowel materiële als immateriële activa kunnen omvatten, zoals de door de verkoper opgebouwde goodwill of ontwikkelde knowhow. Deze houden niet alleen rechtstreeks verband met de concentratie, maar zijn ook noodzakelijk voor de totstandbrenging ervan, omdat zonder deze bedingen er redelijke gronden zouden zijn om aan te nemen dat de verkoop van de onderneming of een deel ervan geen doorgang zou vinden.

Het hof acht het aannemelijk dat met de bedingen in de vaststellingsovereenkomst is beoogd om de waarde en de levensduur van de in de vennootschap opgebouwde goodwill en knowhow te beschermen. Zoals in de Mededeling van de Commissie (onder nummers 19 en 20) verder is vermeld, zijn dergelijke non-concurrentiebedingen slechts gerechtvaardigd door de legitieme doelstelling van de totstandbrenging van de concentratie, wanneer de duur, het geografische toepassingsgebied en de materiële en personele reikwijdte ervan niet verder gaan dan wat redelijkerwijs daartoe noodzakelijk kan worden geacht. Non-concurrentiebedingen zijn gerechtvaardigd voor perioden van maximaal drie jaar wanneer de overdracht van de onderneming, zoals in dit geval, de overdracht van de klantentrouw in de vorm van goodwill en knowhow omvat. In uitzonderlijke gevallen kunnen echter langere periodes gerechtvaardigd zijn. Naar het oordeel van het hof doet zich een dergelijk uitzonderlijk geval hier voor en valt de overeengekomen duur van vijf jaar voor de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen beperkingen nog net te billijken. Daarbij is van belang dat in dit geval sprake is van een hoge graad van klantentrouw en een lange levensduur van de producten (gemiddeld 15 jaar). Ook het gegeven dat partij B de vennootschap jarenlang alleen heeft geleid en beschikt over alle specifieke kennis over de in- en verkoopkanalen van de vennootschap en de markt waarop de vennootschap actief is, draagt daaraan bij. Tevens weegt mee dat de knowhow in deze branche niet spoedig veroudert en dus niet snel haar waarde verliest.

Conclusie

Het non-concurrentiebeding is volgens het hof niet in strijd met het kartelverbod. De overeengekomen duur van het beding (5 jaar) is in dit geval geoorloofd.

Partij A werd in deze procedure bijgestaan door CORP.

 

terug

Nieuws

Meer Nieuws >